Nederland heeft genoeg zand, grind en klei in de bodem. Toch kan er na 2030 een tekort ontstaan aan bouwgrondstoffen die daadwerkelijk beschikbaar zijn. Tien organisaties uit de bouw- en bouwmaterialensector waarschuwen dat vergunningen voor nieuwe winningen te lang duren. Tegelijk pleiten zij voor meer ruimte voor secundaire en hernieuwbare bouwgrondstoffen.
Voor woningbouw, dijkversterking, wegen en de uitbreiding van het elektriciteitsnet zijn de komende jaren grote hoeveelheden bouwmaterialen nodig. Zand, grind en klei blijven daarbij voorlopig onmisbaar. Aannemersfederatie Nederland, Betonhuis, Bouwend Nederland, BRBS, Cascade, Cumela, KNB, MKB Infra, NVTB en VERAS trekken daarom gezamenlijk aan de bel. Volgens hen moet Nederland nu al nadenken over de beschikbaarheid van bouwgrondstoffen ná 2030. De reden is simpel: een vergunningstraject voor een nieuwe zand-, klei- of grindwinning duurt al snel 10 tot 15 jaar. De hoeveelheden die nu vergund zijn, zijn naar verwachting voldoende tot ongeveer 2030. Wie pas in actie komt als de voorraden echt onder druk staan, is dus te laat. Daar móeten we nu op schakelen.
Niet alleen meer winnen
De brief gaat nadrukkelijk niet alleen over nieuwe winningen. De organisaties wijzen ook op het belang van hergebruik, recycling en hernieuwbare alternatieven. Juist daar ligt nog veel potentie. Secundaire en hernieuwbare bouwgrondstoffen worden nog niet op grote schaal toegepast. Dat betekent dat kansen blijven liggen om grondstoffen langer in de keten te houden, klimaatimpact te verlagen en de afhankelijkheid van nieuwe grondstoffen te verkleinen.
De sector vraagt het Rijk daarom ook om meer ruimte te maken voor secundaire en hernieuwbare materialen in de gebouwde omgeving, zeker wanneer die aantoonbaar milieuwinst opleveren. Dat sluit aan bij wat binnen circulair bouwen al steeds vaker gebeurt. Bakstenen, staalconstructies, houten balken en betonelementen kunnen in veel gevallen opnieuw worden gebruikt. Ook groeit de toepassing van biobased bouwmaterialen.
Maar daarmee is de behoefte aan primaire grondstoffen voorlopig nog niet verdwenen. Adviesgroep STOER concludeerde eerder al dat secundaire en biobased grondstoffen op korte termijn nog niet voldoende beschikbaar zijn om de volledige vraag vanuit de bouw op te vangen.
Genoeg in de bodem is niet hetzelfde als beschikbaar
Opvallend is dat het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat onlangs juist concludeerde dat er de komende tien jaar geen tekorten worden verwacht aan grind, ophoogzand, industriezand en klei. Daar zit volgens de bouwsector precies het probleem. Dat een grondstof in de bodem zit, betekent nog niet dat je hem ook kunt gebruiken. Zonder vergunning kan er immers niet worden gewonnen. En omdat vergunningprocedures zo lang duren, moet de discussie volgens de tien organisaties niet alleen gaan over wat er de komende tien jaar beschikbaar is, maar juist ook over wat daarna nodig is.
Meer regie én sneller circulair
De organisaties vragen het Rijk daarom om meer regie te nemen op de toekomstige grondstoffenvoorziening. Ook willen ze dat provincies meer mogelijkheden krijgen om richting gemeenten door te pakken, dat het maatschappelijke belang van grondstoffenwinning zwaarder meeweegt en dat bezwaar- en beroepsprocedures sneller verlopen. Tegelijkertijd ligt er een minstens zo belangrijke opdracht: de vraag naar nieuwe grondstoffen zoveel mogelijk beperken.
Hoe beter we materialen uit bestaande gebouwen opnieuw kunnen gebruiken en hoe sneller secundaire en biobased materiaalstromen opschalen, hoe minder nieuwe grondstoffen nodig zijn. Voor de bouwtransitie horen die twee opgaven dus bij elkaar. We moeten zekerheid houden over de grondstoffen die voorlopig nog nodig zijn én tegelijkertijd veel harder werken aan hergebruik, recycling en hernieuwbare alternatieven. Iedere kanaalplaat, baksteen of stalen ligger die opnieuw wordt gebruikt, hoeft niet opnieuw te worden gemaakt.









